De Eerste Wereld Oorlog, moderne technologie verouderde tactieken.
Door de hele geschiedenis heen is de infanterie altijd van beslissende invloed geweest.
Het is de infanterie geweest waarmee het Romeinse rijk opgebouwd werd.
Met de ondergang van de infanterie begon de donkere periode van de middeleeuwen.
Het was de wedergeboorte van de infanterie waarmee het einde van deze periode begon.
De nederlagen van de bloeiende bereden ridderlijkheid aan de hand van Engelse vrije boeren en Zwitserse veehouders betekende het einde van het feodale stelsel.
Sindsdien heeft de infanterie, bewapend met pieken, hellebaarden, musketten, geweren of automatische wapens, belangrijke periodes in de geschiedenis voortgebracht of beëindigd.
Vanaf 1815 tot 1914 had er in Europa geen grote oorlog plaats.
De Pruisen en de Russen voerden af en toe een oorlog maar het bleef beperkt tot gebieden als de Balkan en Azië.
Voor de rest van de wereld leek het er op dat het aantal oorlogen aan het afnemen was en er uiteindelijk helemaal geen oorlogen meer zouden plaatsvinden.
Deze eeuw van vrede en vooruitgang heeft tot gevolg gehad dat de gebruikte tactieken op het slagveld weinig ontwikkeld waren sinds de dagen van Napoleon.
Het was bekend dat de massale colonnes, die gebruikt werden ten tijde van Napoleon, niet langer bruikbaar waren.
Toch vielen de meeste troepen nog steeds aan in geordende rijen met gemiddeld een meter afstand tussen de soldaten zoals gebruikelijk was in de 18 eeuw.
In scherp contrast staat de ontwikkeling van de technologie.
De industriële revolutie maakte het mogelijk dat de musketten van de infanterie werden voorzien van trekken en velden.
Deze technologische vooruitgang betekende een sterke verbetering van het bereik van deze wapens ten opzichte van de twee voorliggende eeuwen en is mede verantwoordelijk voor de slachtingen van de Krim oorlog (1853 – 1856), de Sepoy opstand (1857 – 1859) en de Amerikaanse burgeroorlog (1861 – 1865).
Vanaf dat moment werd de infanterie in een versneld tempo voorzien van nieuwe wapens.
Het voorlader geweer werd vervangen door een achterlader, wat verder ontwikkeld werd in het grendelgeweer.
Deze nieuwe wapens gebruikten rookloos kruit.
Dat betekende dat de infanterie niet langer hoefde te werken onder een wolk van kruitdampen die de positie verraden en het zicht belemmerde.
Door verbeterde fabricage technieken beschikten deze nieuwe wapens bovendien over een tot dan toe ongekend ver bereik.
Deze technologische ontwikkelingen zouden de dominante factoren in de oorlogen aan het einde van de 19de eeuw zijn.
In de Amerikaanse burgeroorlog en de Frans - Pruisische oorlog was 91% van de verliezen te wijten aan geweer kogels.
Dit was het gevolg van het gebruik van massale formaties die nog steeds door veel legers gebruikt werden en ideale doelen waren waardoor zware verliezen kon worden toegebracht op grote afstanden.
In die tijd werd er niet aan getwijfeld dat de infanterie de koningin op het slagveld was.
Er werd dan ook veel meer aandacht besteed aan schietoefeningen van de soldaat dan in de meeste moderne legers.
Het geweer werd nog efficiënter met de introductie van het magazijn.
De meest primitieve toepassing was een buis systeem waarbij de patronen stuk voor stuk in het geweer werd geladen.
De uitvinding van het clip geladen geweer betekende dat de infanterie het geweer met 5 tot 10 patronen met een handeling kon laden.
Met deze nieuwe wapens deelden de boeren van Zuid Afrika de Engelsen enkele vernederende nederlagen toe tijdens de tweede Boerenoorlog (1899 – 1902).
In 1914 waren deze wapens de standaard bewapening van de infanterie.
Een andere uitvinding uit de laat 19de eeuw is het machinegeweer.
Sinds 1860 waren er diverse primitieve machinegeweren zoals de Gatling, Gardner, Colt, Nordenfelt en de Mitrailleuse.
Het eerste praktisch bruikbare systeem zou ontworpen worden door Sir Hiram Maxim.
Dit systeem maakte als eerste gebruik van de kracht van de terugstoot om een nieuwe patroon te laden.
Het was beschikbaar vanaf 1890 als een artillerie soort wapen waar het teleurstellende resultaten leverde.
Vervolgens werd het wapen afgedankt aan de infanterie.
Deze technologische ontwikkelingen vonden plaats binnen de tijdspan van een generatie.
In deze tijdspan vond er geen corresponderende ontwikkeling plaats op het tactische gebied.
De meeste tactische ideeën van 1914 waren het resultaat van verkeerde conclusies uit de oorlogen van de voorgaande 60 jaren.
Er werd bijvoorbeeld veel aandacht besteed aan het gebruik van de bajonet naar aanleiding van de Russisch – Japanse oorlog (1904 – 1905).
De introductie van de handgranaat en het uitgebreide gebruik van loopgraven, beide voorbodes van de toekomst, werd niet naar gekeken.
Erg verrassend is dit niet want de geschiedenis leert ons dat legers niet leren van overwinningen, de nederlaag van andere legers, oefeningen in vredestijd of theoretische modellen.
Legers leren alleen van de eigen nederlagen.
Een “standaard” aanval bestond in 1914 uit rijen van manschappen, misschien vooraf gegaan door een artillerie bombardement, die door het open veld marcheerden om de verdediger uit zijn positie te verjagen.
Werd de aanval tot staan gebracht door de vuurkracht van de verdediger dan gingen de aanvallers liggen en begon men de verdediger te beschieten.
Is de verdediger uiteindelijk verzwakt door de vuurkracht van de aanvaller dan stond men weer op en werd de aanval voortgezet.
Indien de vuurkracht van de aanvaller niet voldoende was dan werd deze versterkt met extra rijen soldaten.
Samen werd de aanval dan voortgezet om de vuurkracht voorwaarts te brengen.
De verdediger werd dan overspoeld door een stortvloed van aanvallend geweer vuur.
Is de positie van de verdediger eenmaal dicht genoeg genaderd dan zou een snelle charge met de bajonet de laatste weerstand breken.
Het leek allemaal zo simpel.
In de realiteit van het slagveld was een verdediger in gedekt terrein of in versterkte posities in staat een aanvaller die vijf keer zo sterk was tegen te houden.
In 1914 zouden de troepen die als gevolg van de vuurkracht van de verdediger, meestal machinegeweren of artillerie, gingen liggen zelden in staat zijn om de tegenstander te zien.
Het was dan ook niet mogelijk om op de verdediger te schieten.
De versterkingen die oprukten om de liggende troepen te helpen zouden al snel zelf gaan liggen.
Onder deze omstandigheden werd de bevelsketen tot het uiterste gestrekt en vaak verbroken.
Het resultaat hiervan was dat de formaties van de troepen die op de grond lagen volledig ontwricht raakten.
De vuurkracht van de verdediger had voldoende invloed op de bevel structuur van de aanvaller waardoor de aanvallende formatie geen beslissende actie ondernemen kon.
In het najaar van 1914, enkele maanden sinds het begin van de eerste wereldoorlog, was duidelijk geworden dat de infanterie tactieken zoals deze zich ontwikkeld hadden gedurende de 19de eeuw niet langer bruibaar waren op het slagveld.
Twee machinegeweren waren in staat een heel bataljon tegen te houden.
Een bataljon viel aan over een breedte van 500 meter met twee schermutselende lijnen met een tussenruimte van 50 tot 100 meter.
De afstand tussen de soldaten van deze schermutselende lijnen bedroeg een tot drie meter.
Vanwege de omvang en het gewicht werden de machinegeweren van het bataljon niet meegenomen in de aanval.
In de verdediging werd een bataljon opgesteld over een breedte van 1000 meter.
Dit betekende dat de aanvaller ten hoogste een overwicht van twee staat tot een kon bereiken.
Als de aanvaller probeerde om meer manschappen per meter te laten aanvallen om een groter overwicht te behalen had dit enkel tot gevolg dat deze voor de verdediger een makkelijker doelwit vormde.
In de hele eerste wereldoorlog is er een keer een ingegraven bataljon door een enkel aanvallend bataljon uit zijn positie verjaagd.
De “overwinnaars” leden verliezen in de orde van grote van 99,75%.
Het waren de Fransen die deze vorm van aanvallen op strategisch en tactisch niveau tot in het extreme doorvoerden.
Ze waren van mening dat alle vuurkracht van de tegenstander geen vastberaden aanval kon tegenhouden.
De Fransen legden bij de aanval de nadruk op het blijven bewegen en niet te gaan liggen.
Ze waren zo overtuigd dat het psychologische effect van de aanval zo overweldigend was dat ze het geweer begonnen de beschouwen als een verlengstuk van de bajonet.
Dit concept was direct verantwoordelijk voor enkele van de Franse nederlagen van 1914.
De verdediging van de Fransen was niet veel beter.
De Engelse infanterie verschilde in 1914 aanmerkelijk ten opzichte van andere Europese legers.
Het bestond uit professionele soldaten terwijl andere Europese legers uit dienstplichtigen bestond.
Jaren van ervaring en het uitstekende Lee-Enfield Mk III geweer maakten een vuursnelheid van 15 schoten per minuut mogelijk.
De betere schutters konden 30 schoten per minuut halen en een doel raken op 1500 meter afstand.
Om deze hoge vuursnelheid te kunnen volhouden werd er een grote voorraad aan munitie door de soldaten meegenomen.
Veel ervaring van de Engelse infanterie was opgedaan in de Boerenoorlog.
Een van de resultaten was dat de Engelsen veel aandacht besteden aan de schietoefeningen.
Daardoor kon de Engelse soldaat, zonder de ondersteuning van machinegeweren die door de Engelsen ook onderschat werden, een groot aantal aanvallers tegen houden.
Deze soldaten hielden in de aanval ook meer afstand tot elkaar met afstanden van 5 tot 15 meter.
Daarbij rukten ze op van dekking tot dekking.
Ze waren zich beter bewust van de voorschriften, die in andere legers meer aandacht kregen achter het bureau dan in het veld, en pasten deze op het slagveld ook toe.
Het gevolg hiervan was dat de Engelse formaties veel meer beweging kende dan de strakke formaties van de andere legers.
Eigenlijk was het enige nadeel van het Engelse leger van 1914 dat het een klein leger was.
Zo klein dat de Duitse Generaal Von Kleist het betitelde als “dat verachtelijke kleine leger”.
Deze uitspraak zou de geschiedschrijving halen want het Engelse expeditie leger van 1914 is in de geschiedschrijving bekend geworden onder de Engelse vertaling van “Old Contemptibles”.
Wat maakt deze mannen tot de beste infanterie van de 20ste eeuw?
Training, voortkomend uit de lange traditie van het Engelse leger, waarmee zeker gesteld werd dat de eenvoudige soldaat zijn taak begreep en een goed uitgedachte bevelstructuur, middels het herkennen van leiderschap, werd opgebouwd.
De bewapening was uitstekend, de vuurkracht van dit kleine leger was zo groot dat de Duitsers dachten dat iedere soldaat met een automatisch wapen was uitgerust.
In tegenstelling tot de andere legers van 1914 was iedere soldaat uitgerust met een schop en getraind deze automatisch te gebruiken onder bepaalde omstandigheden.
Deze feiten hebben er toe geleidt dat de “Old Contemptibles” in staat waren een grote overmacht tegen te houden bij Mons, Le Cateau en uiteindelijk Ieperen.
Tegen die tijd was de meerderheid gesneuveld of gewond geraakt waarmee voor de infanterie een donkere periode aanbrak.
Naast het geweer, en de bajonet, was het machinegeweer het enige wapen waarover de infanterie in 1914 beschikte.
De meeste landen hadden twee machinegeweren per bataljon van vier compagnieën.
De Belgen en de Russen zouden altijd proberen om er meer toe te voegen.
De Duitsers voegden de machinegeweren samen in compagnieën van zes stuks binnen het regiment.
Dit bleek geen efficiënte organisatie, de machinegeweren waren te geconcentreerd.
Ze plaatsten deze machinegeweren in het midden van de vuurlinie samen met de infanterie.
De Engelse ondervonden dat het efficiënter was om de machinegeweren op de flanken van de infanterie te plaatsen waardoor ze de aanvaller vanaf de flank in een kruisvuur konden beschieten.
De Engelse voordelen van training en munitie voorziening waren ook op de machinegeweren van toepassing.
De Russen hadden altijd gebrek aan munitie en getraind personeel maar herkenden de kracht van het machinegeweer.
Zij waren de uitvinders van het machinegeweer nest.
Dit is een onafhankelijk, in een versterkte positie opgesteld machinegeweer dat gewoonlijk wordt beschermd door een overlappend kruisvuur van andere machinegeweren.
De Duitsers namen dit systeem snel over en dit zou tot 1954 de basis van de Duitse infanterie tactieken blijven.
De Belgen toonden ook een intelligent gebruik van de machinegeweren, ze plaatsten deze wapens op karren welke getrokken door afgerichte honden bijzonder beweeglijk waren.
De Fransen gebruikten het machinegeweer in 1914 voor de verdediging van dichtbij en plaatsten ze niet in de vuurlinie.
Dit was het gevolg van het gebruik van de Hotchkiss, een luchtgekoeld wapen dat snel oververhit raakte.
Oostenrijk-Hongarije maakte gebruik van de Schwarzlose.
Alle andere landen gebruikten een variatie van het systeem van Maxim.
De Duitsers zette de machinegeweren op sleeën.
Bovendien werden ze voorzien van gepantserde schilden wat weinig bescherming bood maar enkel het verplaatsen moeilijker maakte.
Daarom werden de schilden in 1915 verwijderd maar dee meer mobiele driepoot standaard werd niet door de Duitsers over genomen.
In het gevecht kon het machinegeweer 400 schoten per minuut afgeven.
Deze geweldige vuurkracht werd voor de oorlog genegeerd en was de werkelijke verrassing in 1914.
De snelheid, constantheid en precisie van het machinegeweer liet zich merken op afstanden die het geweer van de infanterie niet bereiken kon.
Infanterie bleek hulpeloos te zijn tegenover een verdekt opgesteld machinegeweer.
Men kon het niet bestrijden met de geweren en het meenemen van de eigen machinegeweren bleek een moeizame onderneming vanwege het gewicht en de omvang.
Het is waarschijnlijk dat deze zelf al snel onder vuur kwamen te liggen.
Bovendien zouden ze weinig hebben kunnen uitrichten tegen een goed beschermd vijandig machinegeweer.
Het machinegeweer zou al snel het geweer verdringen als het belangrijkste wapen van de infanterie.
Dit succes van het machinegeweer heeft er toe geleidt dat men zich begon in te graven waarmee de loopgraven oorlog een aanvang nam.
De infanterie werd in de verdediging ter bescherming, op de flanken van en tussen de machinegeweren ingegraven.
Samen dienden de infanterie en machinegeweren ter bescherming van de artillerie tegen de vijandige infanterie.
Slechts door onder de grond te gaan kon de mens overleven in de maalstroom van rondvliegend metaal waar de eerste wereldoorlog in ontaard was.
Door het bouwen van de loopgraven was de infanterie niet langer de “Koningin” van het slagveld.
Het zou snel blijken dat de artillerie, met assistentie van het machinegeweer, de meeste slachtoffers zou maken en dat de infanterie deze leveren zou.
Infanterie was onbruikbaar tegenover vijandige loopgraven en beweging kon alleen recht over het niemandsland.
In 1915 probeerden alle belangrijke landen aan te vallen.
Zonder uitzonderingen zouden deze aanvallen, als deze een ingegraven verdediger aantroffen, kleine terreinwinsten boeken en vervolgens tot staan gebracht worden.
De terreinwinst werd gemeten in meters en de verliezen in tien duizenden.
Deze tactische impasse werd veroorzaakt door het falen van de infanterie om de tactieken aan te passen aan de veranderde tactische omgeving.
De basis aanval formaties was nog steeds de “standaard” 1914 schermutselende linie welke in 1914 al niet succesvol bleek.
Met de toenemende concentratie van artillerie en machinegeweren werd het nog fataler.
De infanterie zelf beschikte over te weinig vuurkracht om een tegenstander frontaal aan te vallen.
Als ze buiten het bereik van de eigen artillerie kwamen dan hield de aanval op.
De verdediger zou dan gewoonlijk tegenaanvallen uitvoeren om de terreinwinst van de aanvaller terug te veroveren waarbij er door de verdediger de nodige verliezen geleden werd.
Vervolgens zou de aanvaller proberen om de aanval voort te zetten maar gewoonlijk kwamen ze niet erg ver.
De enorme rekeningen van deze slachtingen waren gewoonlijk iets in het voordeel van de verdediger.
Zo verliep de oorlog in de jaren 1915 tot 1917.
Hoewel de tactieken van die jaren flexibel waren, en geen zelfmoord zoals vaak beweerd wordt, was er veel potentieel dat niet werd gebruikt om een oplossing voor de impasse te vinden.
Dit tijdperk kan daarom als de donkere periode in de ontwikkeling van de infanterie tactieken gezien worden.
De training van de infanterie bereikte een dieptepunt en de bevelstructuur van de meeste legers werd geïmproviseerd.
De soldaten werden niet getraind in het gebruik van het geweer waardoor de machinegeweren en de automatische geweren, in 1916 had ieder peloton minstens een automatisch geweer, de belangrijkste wapens werden.
De getrainde professionele soldaten van Engeland waren verloren gegaan en de mogelijkheden die het vrijwilligers leger van de Engelsen bood werd niet gebruikt door deze te verspillen in aanvallen volgens de “standaard” 1914 methode.
Toch waren er nog situaties waarbij de infanterie tactieken volledig waren toe te passen.
Een daarvan was het overvallen van een loopgraaf.
Dit werd voor het eerst gedaan door troepen uit India in 1915.
De doelstelling is om stilletjes het niemandsland te doorkruizen, een gat te maken in de prikkeldraad versperringen, en de vijand in zijn eigen loopgraaf te verrassen.
Daarbij de vijand verliezen toe te brengen en met een door bloed bespatte, brabbelende gevangene terug te komen om te worden verhoord.
Deze overvallen ontwikkelden zich in precisie operaties.
De overvallers waren niet bewapend met geweren.
Ze vertrouwden op messen, scherp gemaakte scheppen en dodelijke nieuwe wapens als de handgranaat.
Eenmaal in de vijandige loopgraaf probeerden ze de wachtposten op stille wijze uit te schakelen om vervolgens de slapende verdedigers in hun onderkomens uit te verrassen.
Als er een wapen werd afgevuurd dan wierpen de aanvallers een granaat in die richting en mannen met messen en schoppen namen de eventuele overlevende voor hun rekening.
Was de overval succesvol verlopen dan werd een lichtsignaal afgegeven aan de ondersteunende machinegeweren, mortieren en artillerie om dekking te geven aan de terugtocht van de overvallers.
Deze overvallen werden zo succesvol dat ze soms op divisie niveau en soms zelfs bij daglicht werden uitgevoerd.
Een andere situatie waarbij de infanterie tactieken tot hun recht kwamen waren de gevechten om de loopgraven zelf.
Als de aanvaller in staat was om over het niemandsland te komen in een soort van formatie dan ontstond er een mobiel, bitter gevecht dat vergelijkbaar is met de huis aan huis gevechten van de tweede wereldoorlog.
De verschillende weerstandsnesten, onderkomens en opstellingen moesten stuk voor stuk ingenomen worden.
Een soortgelijke gevecht als bij de loopgraven overval vond dan plaats.
De aanvaller vocht zich een weg via communicatie loopgraven naar ondersteunende loopgraven door de vijandige linies heen.
Terwijl de machinegeweren en automatische wapens ondersteuning leverden zouden groepen van infanterie hele secties van loopgraven met handgranaten bestoken.
Als de handgranaten geëxplodeerd waren werd de loopgraaf gezuiverd met behulp van een bajonet charge.
Was de verdediger goed ingegraven dan had de infanterie onvoldoende vuurkracht en werd de artillerie opgeroepen.
Dit laatste was niet altijd mogelijk waardoor de infanterie niet verder kon aanvallen en er geen terreinwinst meer geboekt kon worden.
Aangezien dit vaak gebeurde werd het langzaam duidelijk dat er een betere methode gevonden moest worden.
Beide partijen vonden een oplossing voor het tactische probleem van de loopgraven.
De westerse oplossing was de tank.
De Duitse oplossing waren de infiltratie tactieken.
In 1917 had het verdediging systeem zich geëvolueerd.
Dit systeem was eerst door de Duitsers gebruikt maar werd al snel door de Westerse machten overgenomen.
Voor die tijd bestond een loopgraven systeem uit drie of meer parallelle linies, verbonden met communicatie loopgraven, tussen de ingegraven artillerie en de tegenstander.
Dit was aanzienlijk verbeterd in 1917.
De loopgraven waren een verdediging in de diepte geworden met zoveel mogelijk elasticiteit en mobiliteit.
Direct achter de prikkeldraad versperringen bevond zich de voorposten strook.
Dit waren onafhankelijke weerstandsnesten die waarschuwing gaven in geval de tegenstander aanviel en in staat waren deze aanval te ontwrichten met machinegeweren.
Vervolgens kwam de voorste loopgraaf.
In 1914 tot 1917 was dit de hoofdlijn maar in 1917 was het duidelijk dat deze positie te kwetsbaar was voor de artillerie van de aanvaller.
De voorste loopgraaf werd daarom in 1917 binnen de sector van een divisie van 3000 meter slechts door een bataljon bemand.
Verder terug lag de hoofdlijn met ondersteunende loopgraven.
Gewoonlijk werd deze bemand met drie bataljons per divisie sector en bestond uit verschillende weerstandsnesten met machinegeweren.
Tussen deze weerstandsnesten werd de infanterie opgesteld ter bescherming van de machinegeweren.
Als laatste volgde de reserve loopgraaf welke bemand werd door twee bataljons op eenzelfde wijze als de hoofdlijn.
Uiteindelijk kwam dan de ingegraven artillerie en de rest van de infanterie die achtergehouden werd als mobiele reserve.
Deze concepten van mobiele verdediging, verdediging in de diepte en het gebruik van weerstandsnesten werden voor het eerst gebruikt door de Duitsers in 1916 met als resultaat dat de aanvallen van de westerse machten enorme verliezen leden.
Tijdens het Duitse zomer offensief van 1918 was het systeem nog niet helemaal overgenomen door de Westerse machten.
Waar dit niet was gebeurd werden de westerse machten verslagen maar waar het wel werd toegepast werden de Duitsers, veelal met zware verliezen, teruggedreven.
Daarmee is al aangetoond dat ook de infiltratie tactieken infanterie niet toestaat om door de vuurlinie van een machinegeweer te komen.
Weerstandsnesten die elkaar met vuurkracht ondersteunden waren beter beschermd dan een volledig verbonden lijn.
Eigenlijk zijn infiltratie tactieken een erkenning van wat voor de hand ligt.
Deze tactieken proberen snel door een zwakke plek in de verdediging te komen waarbij weerstandsnesten worden vermeden en gemarkeerd.
Kleine groepen infanterie die gebruik maken van het terrein, de vuurkracht en de beweging filteren door de gaten tussen deze weerstandsnesten.
Eenmaal in het achterland van de tegenstander worden deze groepen verenigd en daarmee zijn de weerstandnesten omsingeld.
Vervolgens kunnen deze weerstandsnesten van achteren aangevallen worden of simpelweg achtergelaten worden om door een tweede golf van aanvallers te worden opgeruimd.
Het was geen gemakkelijke manier van aanvallen.
De verschillende infanterie groepen hadden geen contact met elkaar tijdens het gevecht en moesten daarom goed getraind en geïnstrueerd worden.
Niemand wist waar de groepen gedurende het gevecht waren en daarom kon de artillerie geen steun verlenen.
De Duitsers stuurden om die reden de directe artillerie ondersteuning met de aanvallende infanterie mee het slagveld op.
Deze tactiek dicteert dat succes moet worden uitgebuit en het falen van een gedeelte van de aanval niet teruggekoppeld wordt.
De troepen moesten blijven aanvallen, ook als de flanken niet verder konden komen.
Deze tactieken voorzagen in de mobiliteit die ontbrak in de tactieken van de “standaard” 1914 aanval.
Indien deze tactieken correct werden uitgevoerd dan zijn ze te vergelijken met de golven op een strand die proberen door een muur van zand te breken.
Hebben de golven een zwakke plek gevonden dan zullen ze daar doorbreken en de muur van binnen uitslijten tot deze uit elkaar valt.
Zo bezien zijn deze tactieken bijzonder simpel en voor de hand liggend.
Toch heeft deze ontwikkeling miljoenen slachtoffers nodig gehad en de beste militaire denkers in de wereld deden er drie jaar over om deze oplossing te bedenken.
Bij deze tactieken werden de soldaten beter over het slagveld verspreid dan in de “standaard” 1914 aanval.
De Duitsers vielen aan over een breedte van 500 meter, zoals in de “standaard” 1914 aanval, tot 1500 meter, afhankelijk van de omstandigheden.
De meeste bataljons in de verdediging hadden een breedte van 1000 tot 5000 meter.
De Duitsers gebruikten deze tactieken voor het eerst bij Riga in 1917.
Dit werd snel gevolgd bij Caperetto en Cambrai.
In 1918 was het de belangrijkste toepassing tijdens het zomer offensief.
De Westerse machten zouden deze methode al snel proberen over te nemen en vanaf dat moment ontwikkelde deze tactiek zich tot het standaard model voor de infanterie.
De infanterie was niet langer een doelwit in geordende rijen die er op wachtte door de machinegeweren en de artillerie te worden beschoten.
De tactische elementen werden weer toegepast waardoor de infanterie zijn macht op het slagveld begon terug te winnen.
Tanks zijn geen infanterie wapens maar deze zouden de infanterie tactieken op eenzelfde manier beïnvloeden als de infiltratie tactieken.
De tank combineerde de vuurkracht van de artillerie en de machinegeweren met beweging.
Machinegeweer nesten konden vernietigd worden door de kanonnen van de tanks en de prikkeldraad versperringen konden door de tanks plat gewalst worden.
De meeste directe artillerie kanonnen konden door de tanks vernietigd worden waardoor de aanvallende infanterie alleen de indirecte artillerie nog te vrezen had.
In zijn latere ontwikkeling zouden de tanks ontdekken dat ze de steun van de infanterie nodig hadden om anti-tank wapens te kunnen bevechten.
Tanks werden voor het eerst gebruikt in 1916 maar de eerste keer dat ze in massa ingezet werden was bij Cambrai in 1917.
Tijdens de laatste aanvallen in 1918 zouden ze een grote rol gaan spelen.
Aanvullend aan deze beslissende wapens werden er vele andere wapens ontwikkeld.
Handgranaten en mortieren waren alom in gebruik sinds 1915.
De genisten ontvingen vlammenwerpers in 1916.
In 1918 ontwikkelden de Italianen en Duitsers machinepistolen, dat zijn automatische wapens die pistool kogels afschieten, die door de infanterie te gebruiken was zonder de noodzaak van een bemanning zoals de machinegeweren uit die tijd.
Het was met de geboorte van deze nieuwe wapens en tactieken dat de eerste wereldoorlog beëindigd werd.